Het kerkgebouw

Zoals veel kerken heeft de Sint-Martinuskerk ongeveer de vage vorm van een Latijns kruis, waarvan het bovenste gedeelte gericht is naar het Oosten. Het is de richting waar de zon opgaat, het licht langzaam ontwaakt, de dageraad opkomt: het leven.

Deze symboliek is in de vroege kerk ontstaan omdat, zoals in het Evangelie staat: ‘Ik ben het Licht van de wereld. Wie mij volgt, zal niet in de duisternis wandelen, maar het Licht van het leven bezitten’ (Joh. 7,12). Christus werd in de eerste eeuwen dikwijls genoemd en uitgebeeld als de ‘Sol Oriens’; de opgaande zon.

Het Oosten heeft trouwens in de bijbel altijd een belangrijke rol gekend: vandaar kwamen de drie Wijzen (Mt. 2,1-12) en vandaar zal op het einde der tijden de Mensenzoon komen als een flitsend Licht. (Mt. 24,27).

Daar tegenover staat het Westen, de plaats van de onder gaande zon, de avondschemering en de nacht en het levenseinde: de wereld van de duisternis. 

Wanneer gelovigen via het hoofdportaal de kerk binnenschrijden, zien ze niet alleen de ganse kerkruimte, maar is hun blik gericht naar het Oosten, naar het Licht. Vroegere theologen interpreteerden dit: ‘men gaat van de wereld van de duisternis, de avond naar het heldere licht en het ochtendgloren’. Vandaar dat het koor, het Oosten, de plaats waar de liturgie gevierd wordt, meestal het klaarste en het meest versierde deel van een kerk is.

Dit komt o.a. door het licht dat binnen straalt via de glasramen. Het licht kreeg in de Middeleeuwen een belangrijke betekenis als rechtstreekse uiting van het goddelijke. Licht is waarneembaar en ziet men, maar is niet stoffelijk. Dat is analoog voor Christus; ‘het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen’ (Joh. 1,5). En het was in die vroege Middeleeuwen (12 – 13 eeuw) dat “de zichtbare schoonheid van het licht een afspiegeling is van onzichtbare schoonheid (= God)” zegt kanunnik Victor van Sint-Victor (°1096 – 1140), een toenmalige uitzonderlijk beroemd Parijse theoloog.

Aardse schoonheid werd gezien als een afspiegeling van goddelijke volmaaktheid. Het lag dus voor de hand dat men in de verdere evolutie van de geschiedenis veel aandacht zou geven aan wat mooi is in kerken (gebouwen, schilderkunst, inrichting, liturgische voorwerpen, glasramen).

En toen dienden glasramen niet alleen om het bedehuis te verlichten en om zeer mooi te zijn, maar ook om iets te leren. Zo schreef de beroemde theoloog en bouwmeester Abt Suger van Saint-Denis (1081 – 1151): “de afbeeldingen op de glas-in-loodramen zijn in de eerste plaats voor de eenvoudige mensen die de Schrift niet konden lezen; ze moeten laten zien wat ze moeten geloven”.

Dat werd dichter bij ons op de Synode van Arras in 1205 nog eens bekrachtigd. Nog één bedenking van Pierre de Roissy, kanselier van Chartres, schreef begin 13 eeuw “de glas-in-loodramen van de kerk, waardoor de wind en de regen worden tegengehouden en waardoor het stralende zonlicht wordt binnengelaten, zijn gelijk aan de H. Schrift, die het schadelijke van ons weghoudt en ons verlicht”.

Tot hier een stuk geschiedenis en wat kan dit ons leren? Een kerkgebouw, het interieur, en in casu de glasramen moeten enerzijds mooi zijn en anderzijds moeten ze ons iets verduidelijken, illustreren of een bepaalde sfeer oproepen. Zo willen we ook eens naar de glasramen in Sint-Martinus en Antonius Abt kijken.

De glasramen

De 4 glasramen in het koor -het Oosten de plaats waar liturgie gevierd wordt-zijn de grootste van vorm en inhoudelijk en functioneel de belangrijkste. Ze geven 2 verhalen weer, respectievelijk uit het O.T. en het N.T. die in de loop van de geschiedenis verwijzingen hebben gekregen naar de Eucharistie.

Aan weerszijden van het hoofdaltaar 2 glasramen gebaseerd op het leven van Jezus uit het N.T. namelijk: de Emmaüsgangers en de kruisdood op Golgotha. Daarvoor de 2 O.T. verhalen. 

Mozes

Aan de Noordzijde (linkerkant) het verhaal van Mozes die water uit de rots slaat. Her verhaal staat verteld in Gen. 17,1 – 7 en speelt zich ca. 1250 voor Christus af in het dal Refidèm, voor de woestijn van Sinaï. Na de vlucht uit Egypte, op hun tocht door de woestijn beginnen de Israëlieten honger en dorst te krijgen en morren ze tegen Mozes: ‘Waarom hebt gij ons weggevoerd uit Egypte, als we toch met onze kinderen en vee van dorst moeten sterven?’. En toen Mozes bij Jahweh klaagde antwoordde deze: ‘Neem de staf mee, waarmee ge op de Nijl hebt geslagen en ga op weg. Ik zal daar voor U staan op de rots Horeb. Sla op die rots en er zal water uitstromen, zodat het volk kan drinken’ Gen. 17, 5-6.

Tegenover een zachte achtergrond, zachte kleuren met enkele bomen in het dal, slaat Mozes met zijn stok op de rots en er vloeit water uit. Vooraan kijkt één van de oudsten van het volk toe en daarnaast houdt een jongere vrouw geknield een schotel in de hand om water op te vangen. Op de achtergrond rechts ziet men enkele woontenten in een groenachtige oase die ligt juist voor de Sinaï.

Mozes heeft korentjes op het hoofd of stralenbundels. Dit is gebaseerd/ontstaan na een foute van Exodus 34, 29 – 35. Toen Mozes na de vernieuwing van het verbond met Jahweh de berg afdaalde zagen al de Israëlieten en Aäron dat de huid van Mozes’ aangezicht straalde, zodat ze hem niet durfden benaderen (EX. 34, 30). Het Hebreeuwse woord kan in vertaling zowel ‘hoorn’ als ‘lichtstralen’ betekenen. Een interpretatieprobleem en aanvankelijk werd het vertaald als ‘hoorn’.

De oude kerkleer ziet een parallel tussen het rotswater en doopwater. Het verduidelijkt ook dat de gelovige dank zij het doopwater evenveel verkwikking en krijgt als de dorstige Joden aan de rand van de woestijn. De rots wordt in dit verhaal een symbool van Gods aanwezigheid onder de mensen net zoals in de Eucharistie. Dit water loopt vooruit op de christelijke leer over lopend water, zoals Jezus zei: ‘Zo iemand dorst heeft, hij kome tot mij (Joh. 7, 37).

 

Melchisedek

Aan de Zuidzijde (de straatkant) staat de Oudtestamentische geschiedenis van Melchisedeck afgebeeld uit ca. 1910 voor Christus (Gen. 14, 11 – 24). Na de overwinning op enkele stammen rond Gommora en Sodoma en de bevrijding van zijn neef Lot, keerde Abraham terug naar zijn streek en ontmoette er Melchisedeck, priester-koning van Salem (Jeruzalem?). Hij offerde Abraham brood en wijn aan, zegende hem en sprak: ‘Gezegend zijt gij Abraham door den allerhoogste God, Schepper van hemel en aarde. Abraham van zijn kant gaf Melchisedeck een tiende van zijn oorlogsbuit (Gen. 14, 18 – 19).

Het glasraam sluit aan bij de gebruikelijke uitbeeldingen van dit verhaal. De priester-koning Melchisedeck is rijkelijk gekleed in een priestergewaad en draagt de koninklijke kroon.

Van op een drempel van zijn verblijf biedt hij Abraham, die voor hem neergeknield is, een kelk aan en een schotel. Abraham, net terug van zijn overwinning, draagt nog zijn helm en heeft zijn staf in de ene hand en in de andere…

De geste om elkaar brood en wijn aan te bieden was oorspronkelijk een gebaar van gastvrijheid tussen stammen onderling. Een verhaal dat zich afspeelt in een rustgevend groen met helderblauwe hemel. 

De vroege kerkleer heeft onder invloed van de brief aan de Hebreeën 6,20 deze geschiedenis, waarbij Melchisedeck brood en wijn aanbiedt, geïnterpreteerd als een prefiguratie, een voorafbeelding van het Laatste Avondmaal en de Eucharistie en Melchisedeck als voorafbeelding van de Messias. Zo is in de kathedraal van Reims en afbeelding te vinden waarin Melchisedeck de communie geeft aan Abraham.

 Beide glasramen zijn hier geplaatst omwille van hun voorafbeelding van de Eucharistie. Tevens refereren ze naar Oudtestamentische verhalen waarbij het ene verwijst naar de ‘profeet’ en het andere naar de ‘priester-koning’. Deze begrippen ‘profeet’ en ‘priester-koning’ worden beschouwd als voorafbeelding van Christus.

 

twee leerlingen op weg naar Emmaüs

Aan de Zuidzijde van het hoofdaltaar wordt verteld hoe twee leerlingen, ontgoocheld over wat er de laatste dagen in Jeruzalem gebeurd was, op weg waren naar Emmaüs (Lc. 24, 13 – 35). Een derde reiziger voegde zich bij hen en Hij was schijnbaar niet op de hoogte van wat er in Jeruzalem allemaal gebeurd was. Daarom vertelden de leerlingen over de laatste dagen van Jezus. De derde reiziger, die ze niet herkenden als Jezus, begon hen te onderrichten vanuit de Schriften. Toen het avond werd, nodigden zij Hem uit om bij hen te blijven. ‘Toen ze aan tafel zaten nam Hij brood, sprak een dankgebed uit, brak het en reikte het hen toe. Nu gingen hun ogen open en herkenden ze Hem’ (Lc. 24, 30 – 31).

Dit verschijningsverhaal werd dikwijls in scene gezet, en vooral de passage van de maaltijd is prominent vertegenwoordigd, omdat ze typologisch verwijst naar de Eucharistie. Christus en zijn leerlingen zijn hier niet voorgesteld als pelgrims, zoals veelal gebruikelijk is met staf en pelgrimshoed. In deze enscenering staat Christus recht in het midden en zitten de 2 leerlingen voor Hem neer.

Wie aandachtig toekijkt, ziet links een jongere leerling in overwegend groene kledij, met een fris kapsel en naast hem een kalende oudere leerling, in meer donkere kledij. Het gebeuren speelt zich hier af in een nette woning met warme kleuren op de achtergrond. Jezus zegent het brood en op een gedekte tafel staat een karaf en een andere schotel; het lijkt een gemoedelijk tafereel.

kruisdood van Jezus

Dit in tegenstelling met het glasraam aan de Noordzijde (links van het altaar): de kruisdood van Jezus. Tegenover een sombere achtergrond met onrustige donkere blauwe en purpere tinten, staat het kruis opgesteld met een bordje ‘titulus’ bovenaan waarop INRI (Jesus Nazarenus Rex Iudaeorum) zoals vermeld in Joh. 19, 19. Pilatus had een opschrift doen schrijven en aan het kruis laten hechten. Er stond op geschreven: ‘Jezus van Nazareth, de Koning der Joden’.

Deze afbeelding van Christus aan het kruis is de meest voorkomende in de christelijke kunst, en sinds de 5 – 6 eeuw gebruikelijk, omdat het smadelijke karakter geloofsleerlingen zou afschrikken. Vanaf de 13 eeuw wordt er gestreefd naar een meer realistische voorstelling, waarbij Jezus getoond wordt stervend, met verwrongen pijnlijk gezicht dat op de schouder rust met gesloten ogen, een terzijde doorgezakt lichaam en knieën die lichtjes wegdraaien van het kruishout. Hij draag een lendendoek, een doornen kroon en zoals sinds 17 – 18 eeuw gebruikelijk hangen zijn armen schuin, bijna recht omhoog.

Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder, de zuster van zijn moeder en Maria Magdalena. Jezus zag zijn moeder staan, en naast haar de leerling die hij liefhad (Johannes). En Hij zei tot zijn moeder: ‘Vrouw ziedaar uw zoon’. Daarna sprak Hij tot de leerling: ‘Ziedaar uw moeder’ (Joh.19, 25 – 27).

Links staat een pijnlijk treurende Maria en recht een duidelijk herkenbaar een jongere leerling Johannes, die bedroefd omhoog kijkt. Een voorstelling die vanaf 9 eeuw gebruikelijk was. Aan de voet van het kruis ligt Maria Magdalena, rijkelijk gekleed en met opvallend lang weelderig haar. Wie was ze ook weer? Geknield omarmt ze de voeten van Jezus. Een verwijzing een zondige vrouw die Jezus’ voeten nat maakt en met haar haren afdroogde (Mc. 14, 3 – 9) en waarbij Jezus zei: ‘Zij heeft gedaan wat zij kon, zij heeft reeds vooruit mijn lichaam gebalsemd voor de begrafenis’ (Mc. 14,8). Bij dit tafereel zijn geen soldaten en wenende vrouwen te zien.

Het is duidelijk dat de vier grote glasramen uit het koor niet alleen het koor ‘verlichten’ maar ook typologisch verwijzen naar de Eucharistie die op die plaats gevierd wordt. Alle afbeeldingen, ook deze in de zijbeuken, zijn gevat in een raam met rijk versierde zuilen en een weelderig fronton met gestyleerde ornamenten.

 

apostel Jacobus

Wat vertelt het Evangelie over de populaire apostel Jacobus die hier afgebeeld is op de zuidzijde (de straatzijde) naast Paulus? Hij was de zoon van Maria Salome en van de visser Zebedeus, en de oudere broer van de evangelist Johannes (Mt. 27, 56). Net als zijn broer was ook hij visser aan het meer van Galilea (Mt. 4, 21-22).

Beide broers hadden als bijnaam Boanerges (donderzonen) vanwege hun onstuimig en super enthousiast karakter,o.a. toen ze vuur uit de hemel wilden afroepen over de Samaritanen, omdat deze weigerden Jezus te ontvangen (Lc. 9, 54-55). Hun moeder Maria Salome had ook ambitieuze plannen: “Laat deze twee zonen van mij gezeten zijn in uw Rijk, de een aan uw rechter-, de andere aan uw linkerkant (Mt. 20, 20-22).

Toch moet Jacobus een bevoorrechte leerling zijn geweest, want samen met zijn broer Johannes en Petrus was hij aanwezig bij de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Mc. 5, 35-37). Ze waren ook de kroongetuigen van de verheerlijking op de berg Thabor (Mc. 9, 2-3). Jacobus was ook aanwezig tijdens de laatste uren van Jezus’ leven, toen Hij, na het laatste avondmaal, diep bedroefd en angstig in de hof van Olijven was gaan bidden (Mc. 14, 32-34). Volgens de Handelingen der Apostelen zou Jacobus onthoofd zijn op bevel van Herodes Agrippa c. 44 (Hand. 12, 2).

Er ontstonden talrijke verhalen over het leven van Jacobus, over zijn mirakels, verschijningen en wonderen. Zo zou hij volgens een verhaal uit de 6 – 7 eeuw in Galicië (Noord-Spanje) gepredikt hebben. Maar hij keerde naar Judea terug om te sterven, doch zijn discipelen zouden zijn lichaam naar de plaats van de missionering hebben overgebracht.

In de 9 eeuw heeft een eremyt een visioen waarin hem de plaats van het graf geopenbaard wordt door een ster. Zo wordt zijn begraafplaats ontdekt. Koning Alphonso II bouwde er een andere kerk bij. De naam Compostella komt, volgens sommigen, waarschijnlijk voort van “compositum tellus” d.w.z. grafheuvel. Anderen beweren dat Compostella zou afgeleid zin van “Campus Stellae” d.w.z. het veld van de ster.

Daarnaast waren er legenden over de verschijning van de heilige Jacobus in de strijd tegen de Sarazenen, over de hulp bij de bestrijding van de Moren en over een verschijning aan Karel De Grote. Dan wordt de apostel soms voorgesteld als de Morendoder, als kruisridder of als pelgrim.

Vanaf de 11 eeuw hebben de monniken uit het Bourgondische Cluny de bedevaarten naar Santiago georganiseerd. De “Camino de Santiago” was zeer belangrijk voor de verspreiding van het Christendom en van een christelijke cultuur. Allerlei broederschappen regelden het vertrek en de belangen van de pelgrims. Hospita en kloosters boden onderweg veilig bescherming en voedsel. Er ontstond een toeloop van gelovigen. In de 16 eeuw was er in Compostella zelfs een Vlaamse herberg.

In het glasraam wordt Jacobus voorgesteld als een Santiago-pelgrim met een brede mantel met een capuchon. Met beide handen omklemt hij de pelgrimsstaf met een kleine kalebas. De typische SintJacobsschelp ontbreekt hier. Pas vanaf de 12 eeuw wordt Jacobus afgebeeld als pelgrim of ridder.

Hij is de patroonheilige van pelgrims, ridders, molenaars, hoedenmakers, bejaardentehuizen en tientallen beroepen. Zijn bijstand werd afgesmeekt tegen reuma en mooi weer en goede oogst.

Zijn feest wordt gevierd op 25 juli. De legende achter de figuur van de apostel Jacobus ligt aan de basis van een indrukwekkende verspreiding van het christendom, zijn artistieke beleving en expressie in West-Europa.

 

apostel Simon Petrus

In het pseudo-transept zien we aan de Noordzijde de glasramen met Simon Petrus met zijn broer Andreas. Aan de Zuidzijde (straatkant) staat tegenover Petrus, Paulus en verderJacobus de Meerdere. Toevallig (?) die leerlingen die in de evangelische teksten prominent aanwezig zijn.

Over de leerlingen weten we enkel en alleen wat in het Evangelie staat. Dat is gebaseerd op enkele decennia mondelinge traditie en uiteraard niet altijd historisch betrouwbaar. Wat nadien, in de eerste eeuwen van het Christendom, werd neergeschreven over de leerlingen is niet historisch te interpreteren. Die teksten zijn vaak symbolisch, geïnspireerd door verering, of apologetisch bedoeld om bepaalde religieuze stellingen te verdedigen. Vaak werden hun namen ten onrecht gebruikt om geschriften met gezag te onderlijnen. Uiteraard hebben we geen gegevens over de concrete fysionomie van de leerlingen en ook niet van Jezus van Nazareth.

Wat vertelt het Evangelie over Petrus?

Simon, de zoon van Jona, die Petrus (Grieks) of Kepha (rots) (Joh. 1,42) wordt genoemd werd geboren in Betsaïda, aan het meer van Galilea. Hij was de broer van Andreas en eveneens visser (Mt. 4,18). Hij was gehuwd en verbleef in Kafarnaüm, waar Jezus zijn schoonmoeder genas van hoge koorts (Mt. 8, 14-15).

De roeping van Petrus en de eerste leerlingen wordt zowel bij de synoptici (de evangelisten Matheüs, Marcus en Lucas) als bij Johannes op analoge wijze beschreven. Hij was een enthousiasteling die door dik en dun Jezus zou verdedigen, letterlijk en figuurlijk. In Getsemane, bij de gevangenneming van Jezus sloeg zelfs hij de knecht Malchus met zijn zwaard een oor af (Mt. 26, 51-52).

Uit de Evangelies blijkt dat Petrus een prominente rol speelt onder de leerlingen en dat hij aanwezig is bij de belangrijke gebeurtenissen uit het leven van Jezus. Marcus vertelt hoe Petrus, Jacobus en Johannes aanwezig waren bij de opwekking van het dochtertje van de overste van de synagoge (Mc. 5, 35-43 en Lc. 8, 49-51). Diezelfde drie leerlingen nam Jezus mee n.a.v. de transfiguratie, de gedaante-overstijging op de berg Tabor (Lc. 9, 28-36).

Zelfs in Getsemani tijdens de laatste uren van zijn leven nam “Jezus Petrus, Jacobus en Johannes met zich mee en begon ontroerd en angstig te worden.” (Mc. 14, 33). Maar Jezus was daar ontgoocheld in Petrus: “Simon, slaapt gij? Kunt gij dan niet één uur met mij waken?” (Mc. 14, 37). De ontgoocheling was er ook toen enkele uren later Petrus Jezus verloochende tegenover een dienstmeisje van de hogepriester: ‘Neen, ik ken die man niet’. Op hetzelfde ogenblik kraaide een haan. De Heer keerde zich om, zag Petrus aan … Hij ging naar buiten en weende bitter (Joh. 24, 55-62).

Ook in wonderverhalen is Petrus vaak betrokken partij zoals bij de wonderbare visvangst (Lc. 5, 4-11). Bij de storm op het meer van Genesareth, wou Petrus Jezus tegemoet gaan over het water, maar omdat hij bang was begon hij te zinken en werd door Jezus vermaand om zijn kleingelovigheid (Mt. 14, 22-33). Dit verhaal illustreert de kracht van het geloof. Het schip is allegorisch het beeld van de kerk dat de gelovigen doorheen de stormen van het leven loodst.

Verder wordt in evangelies geïllustreerd hoe Petrus meestal als woordvoerder van de groep aan bod kwam.

In de eerste hoofdstukken van de Handelingen van de Apostelen is Petrus de dominerende figuur. Hij gaat vrijmoedig verkondigen in Jeruzalem (Hand. 2, 14-41), verricht opzienbarende genezingen (Hand. 3, 1-10) en doopt in Caesarea voor het eerst een nietJood, de Romeinse officier Cornelius, zonder hem Joodse religieuze verplichtingen op te leggen (Hand. 10).

Van Petrus zijn twee brieven bewaard: één geschreven van uit Rome (Petr. 5,13) en een tweede mogelijk van uit Egypte of Asia. Later zijn er heel wat apokriefe geschriften ten onrechte aan Petrus toegeschreven.

Paulus -soms een tegenstander- erkende het grote morele gezag van Petrus o.a. bij discussies over het volgen van Christelijke en Joodse gebruiken (Gal. 2, 11 -14).

Op bevel van Herodes Agrippa I zou hij gevangen genomen zijn. Hij lag in ketens in een zwaar bewaakte kerker en sliep tussen twee soldaten. Een engel verscheen, de kettingen vielen van hem af en de engel begeleidde Petrus langs de wachtposten tot buiten de poort, die zich vanzelf opende. De slapende schildwachten hadden zijn ontsnapping niet opgemerkt (Hand. 2, 1 -17). Deze geschiedenis behoort natuurlijk tot het domein van volkse fantasie.

Na zijn gevangenneming zou hij gepredikt hebben in Antiochië, Korinthe en Rome, waar hij in 64 tijdens de vervolgingen van Nero de marteldood stierf. Volgens de overlevering stierf hij op een omgekeerd kruis, met het hoofd naar beneden, want hij achtte zich niet waardig om op dezelfde manier te sterven als Jezus.

Dit verhaal is bekend uit ‘De Handelingen van Petrus’ en uit ‘De passie van Petrus’ van een pseudo-Linus (5 eeuw) die opvolger van Petrus zou geweest zijn als bisschop van Rome.

De glasramen over de leerlingen zijn uiteraard fictieve weergaven, die geïnspireerd zijn op de gebruikelijke afbeeldingen en symbolen uit de geschiedenis. Zoals de meeste leerlingen is Petrus voorgesteld in tunica en mantel.

Omdat in de eerste eeuwen (3 – 4 eeuw) Petrus en Paulus vaak samen zijn afgebeeld, ontstaat er ter onderscheiding vanaf ca. 330 een stereotiep Petrus-gelaat: een rond hoofd, wat boers gelaat met strenge blik, kalend en met een korte ronde baard. In de ene hand houdt hij een gesloten boek, wat eertijds een symbool was voor het overhandigen van de wet en in de andere hand een sleutel. Dat laatste is een uitdrukking van het geven van bevoegdheden, zoals ‘ik zal U de sleutels geven van het Rijk der Hemelen.’ (Mt. 16,19)

In het volksgeloof werd hij aanroepen tegen koorts, kinkhoest, onvruchtbaarheid, flauwvallen en dieven. Hij werd gezien als de patroonheilige van de gevangenisbewakers, vissers, schippers, slotenmakers, smeden en veel andere beroepen.

Zijn feestdag is net als die van Paulus op 29 juni. In 1950 zou zijn graftombe ontdekt zijn in de funderingen van Sint-Pieters in Rome.

 

apostel Andreas 

Naast Petrus, is er het glasraam met zijn broer Andreas (Joh. 1, 40 42) die leefde in een religieuze groep rond Johannes de Doper. Door die laatste kwam hij in contact met Jezus uit Nazareth en bracht hij ook Simon Petrus bij Jezus. Volgens Marcus waren ze vissers. “Toen Jezus langs het meer van Galilea ging zag hij Simon en diens broer Andreas, het net uitwerpen in het meer, want ze waren vissers (Mc. 1, 16-18).

Johannes verhaalt hoe op een bepaalde dag een grote menigte Jezus volgde aan de overkant van het meer van Galilea en er brood moest gekocht worden om de massa te spijzigen. Het is Andreas die opmerkt: “Er is hier wel een jongen die vijf gerstebroden heeft en twee vissen; maar wat betekent dat voor zo velen?” Joh. 6, 8-9).
Hij was samen met de andere leerlingen aanwezig bij het Laatste Avondmaal, de verschijningen en het Pinksterverhaal.
Afzonderlijk wordt Andreas nog eens vernoemd toen 
hij met Filippus Jezus verwittigde dat enkele heidenen Jezus wilden spreken Joh. 12, 20-22).
Meer is over hem niet geweten, volgens het Nieuwe Testament.

Wat dan volgt komt uit de volkstraditie en uit apocriefe geschriften: geschriften uit de eerste eeuwen van het christendom, die enerzijds historisch niet betrouwbaar zijn, maar anderzijds dikwijls een uiting zijn van volksgeloof. Hij zou gepredikt hebben in Thracië en rond de Zwarte Zee.
De landvoogd Aegeatus veroordeelde hem na geseling tot de dood aan het kruis omdat diens vrouw Maximilla door de apostel zou bekeerd zijn en met veel andere gehuwden tot seksuele onthouding zou gebracht zijn. Andreas zou, gebonden aan het kruis in X-vorm twee dagen lang gepredikt hebben voor veel luisteraars en gestorven zijn op 30 november van het jaar 60 na Christus.

Er zijn over Andreas heel wat akten, verhalen neergeschreven over zijn leven, zijn missioneringswerk en zijn mirakels. Slechts enkele voorbeelden: Gregorius van Tours (538 –594) schreef in de 6 eeuw een “Liber de miraculis beati Andreae apostoli” (over de wonderen van Andreas) en de “Legenda Aurea” (1255-66) van de gekende dominikanermonnik Jacobus de Voragine (1228-1298) vertelt over krasse wonderen.

Oorspronkelijk hadden de apostelen in het vroege christendom eenzelfde fysionomie. Wat later werd die, onder invloed van verhalen en volkse elementen, meer gedifferentieerd.
Andreas’ fysionomie lijkt die van een man van gevorderde leeftijd, tenger, grijze grote gaffelbaard, licht kalend en met priemende ogen en lange neus. Hij is hier afgebeeld met het bovenste deel van een kruis in X-vorm (Andreaskruis), verwijzend naar zijn marteldood, een attribuut dat pas voor het eerste werd gebruikt ca. 1170 o.a. in het Franse Autun. Zou deze X-vorm ook kunnen verwijzen naar de eerste letter van het Griekse woord Christus?
Soms wordt hij ook afgebeeld met een visnet (verwijzend naar zijn beroep) of met een boek.

In gans Europa werd hij onder Filips de Goede in 1249 aangeduid als de beschermheer van de Orde van het Gulden Vlies. 
Hij wordt aanroepen tegen kinkhoest, jicht, keelpijn en echtelijke onvruchtbaarheid. Hij is de patroonheilige van de vissers, vishandelaars en van de touwslagers (hij werd met touwen aan het kruis gebonden).

Omdat Andreas gold als de zachtaardigste van de apostelen, vroegen meisjes op de avond voor zijn feestdag om in een droom hun toekomstige echtgenoot te mogen zien.
Zijn feestdag valt op 30 november.

 

apostel Paulus

Tegenover Petrus bevindt zich aan de zuidzijde het glasraam van Paulus. Volgens zijn eigen zeggen “Ik ben een Jood, geboren ca. 10 v. Christus te Tarsus in Cilicië, maar opgegroeid in Jeruzalem; aan de voeten van Gamaliël ben ik geschoold in de strenge uitleg van de wet (Handel. 22, 1-3). Deze laatste was een bedreven schriftgeleerde.

Saulus -zo was zijn oorspronkelijke naam- erfde van zijn vader het Romeins burgerrecht. Hij beheerste het Grieks, kende de antieke cultuur, en was tentenmaker van beroep (Handel. 18, 3). Hij was een ontwikkelde farizeeër en aanvankelijk een hevige vervolger van de christenen.
Toen hij ca. 33-35 in ziedende woede op weg was naar Damascus, om christenen te vervolgen “omstraalde” hem een schitterend licht uit de hemel. “Ik viel op de grond en hoorde een stem die mij zeide: ‘Saul, Saul waarom vervolgt gij Mij?’” (Handel. 9, 3-4). Hij werd -blind geworden door dat hevige licht- verzorgd door de christen Ananias, die hem onderrichtte in de christelijke leer (Handel. 9, 10-19).

Na zijn doopsel predikte hij in Damascus tot woede van de Joden die hem wilden vermoorden. Maar hij kon vluchten omdat “op een nacht zijn leerlingen hem via de stadsmuur in een mand naar beneden lieten zakken.” (Hand. 9, 25).

Nadien werd hij één van de markantste predikers van het Evangelie in grote delen van het Middellands zeegebied.
Van het jaar 45 – 58 verbleef hij in Cyprus en Klein-Azië, samen met 
Barnabas en Marcus. Hij verbleef ook in Thessalonica en Griekenland waar hij een zorgvuldig voorbereide rede uitsprak voor de filosofen op de Areopaag met o.a. zijn fel betwiste betoog over de opstanding van de doden (Hand. 17, 22-32).
Na aanklachten van de Joden in Jeruzalem werd Paulus in Caesarea verhoord door de landvoogd Felix, die koning Agrippa (Herodes) consulteerde. Maar Paulus deed als Romeins burger beroep op de keizer met als gevolg dat de apostel twee jaar in Rome huisarrest kreeg in zijn eigen huurwoning (Handel. 21, 25 – 28). 
Lucas heeft als lotgenoot de avontuurlijke zeereis naar Rome en de schipbreuk bij Malta beschreven (Handel. 27 – 28).

De traditie vertelt dat na een korte periode een tweede gevangenschap volgde, waarna hij op bevel van Nero in 65 zou onthoofd zijn, drie mijlen ten Zuiden van de stad. Maar Paulus zou ca. 60 gestorven zijn.

Dat zijn missioneringswerk niet vlekkeloos verliep schreef hij in een brief aan de Korintiërs: ‘Voor Jezus Christus heb ik veel ondergaan in gevangenschappen … in slagen overvloedig, in doodsgevaren heel vaak’. “Van de Joden kreeg ik vijfmaal de veertig min één; driemaal ben ik met de roede gegeseld; éénmaal gestenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; eens een heel etmaal rond gezwalpt op zee. Op zwerftochten, in gevaren van rivieren, gevaren van rovers, van eigen volk en van heidenen, gevaren op zee en onder valse broeders. Onder arbeid en zwoegen, vaak zonder slaap, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.” (Hand. 11, 23 -27).

Vermoedelijk schreef of liet Paulus 13 brieven schrijven naar de steden waar hij christenen bezocht had, of ook naar bekenden. Hij komt daarin over als een bezielde en gedreven christen, als en strijdbaar en bewust man, en als een overtuigde en vrome gelovige. Zo verdedigde hij sterk dat heidenen christen konden worden, zonder de Joodse wetten te moeten navolgen.

Zijn genadeleer, waarbij de rechtvaardiging geschiedt door het geloof en het doopsel, zal later een inspiratie en basis zijn voor de Lutherse theologie.

Nadien zijn er nog verschillende apocriefe geschriften over Paulus verspreid zoals o.a. ‘Acta Pauli’ (ca. 190 – 200) of een ‘Passio Pauli’, een fantastische “Praedicatio Pauli” (ca. 250) e.a. Ze bevatten bijbelse en patristische berichten, wonderverhalen en verhalen over zijn marteldood waarbij zijn afgeslagen hoofd driemaal op de grond zou geketst hebben, waardoor 3 bronnen ontstonden (de abdij Tre Fontane aan de Via Laurentina). Verhalen die getuigen van groot volksgeloof.

De fysionomie van de apostel is uiteraard niet historisch, maar gaat terug op de antieke methode om bepaalde types of karaktertrekken weer te geven via beeldende kunst. Paulus heeft meestal een lang smal hoofd, nogal cholerisch van expressie, met een lange baard. Het toont een ander profiel dan Petrus aan de overzijde.
Hij is hier afgebeeld met een boek (verwijzend naar zijn brieven) en houdt het handstuk van een zwaard vast (verwijzend naar zijn marteldood).

Paulus is de patroonheilige van theologen, journalisten en mandenmakers (hij werd uit Damascus gered). Hij werd aanroepen tegen slangenbeten, hagel en zeestormen.

Zijn feestdag valt samen met die van Petrus op 29 juni. Zijn bekering wordt herdacht op 25 januari.

 

Jacobus de Mindere

In de zijbeuken van het kerkschip bevinden zich de glasramen met de apostelen. Hun fysionomie is uiteraard onrealistisch en hun kledij bestaat traditioneel uit een lange tunica en een mantel. De keuze van de attributen is vooral gebaseerd op verhalen uit apocriefe geschriften of op traditie en volksgeloof.

We gaan de kerk binnen via het Westen en aan de noordzijde (de parking) zien we Jacobus de Mindere, de apostel Simon, vervolgens Philippus en dan de geliefde leerling Johannes.

Jacobus Minor of Jacobus de Mindere, wordt in het Evangelie alleen meer vernoemd samen met de andere leerlingen (Hand. 1-13). In Mc. 3,18 wordt hij geduid als “de zoon van Alfeüs. Meer is over hem niet bekend in de evangelies. Wel is hij de auteur van een korte brief in het Nieuwe Testament. De rest berust op fictieve traditie en naamsverwisseling. Hij werd ten onrechte geïdentificeerd met een andere Jacobus die ‘de zoon is van Maria, de broer van Jozef, Judas, Jezus en Simon’ (Mc. 6,3).

Hij zou een belangrijke rol gespeeld hebben in de eerste kerk van Jeruzalem, waar hij als leider tegenover de leerlingen het woord nam (Hand. 15,13) en waar hij gesprekken voerde met Paulus over het belang van de Joodse wetten voor bekeerde christenen (Hand. 21,18). Hij wordt genoemd als “steunpilaar, samen met Kefas en Johannes om te zorgen voor de prediking onder de besnedenen(= Joden) Gal. 2, 7-9).

Volgens de overlevering zou hij op Pasen van het jaar 62 van het tempeldak naar beneden gegooid zijn. Omdat hij nog leefde , begonnen omstaanders met stenen te gooien tot hij door een voller met een knuppel werd doodgeslagen. Dit verhaal komt uit de Legenda Aurea van de Dominikaan Jacobus de Voragine (1228-1298) ofschoon het reeds voor het eerst geschreven werd ca. 170 na Christus door Hegesippus (110-180). De Romeins-heidense schrijver Flavius Josephus (37-100), berichtte voordien reeds in zijn Antiquitates Judaicae” (Joodse oudheden) uit 93/94 na Christus dat “een Jacobus – bij afwezigheid van de Romeinse landvoogd – uitgeleverd werd om gestenigd te worden.”Volgens dezelfde bron lieten de Joodse leiders Jezus in Getsemanie kussen door Judas Iskariot, om te voorkomen dat ze in plaats van Jezus zijn broer Jacobus zouden gevangen nemen. Uiterlijk leken Jacobus en zijn broer Jezus, in doen en laten, goed op elkaar.

Door die twee, Jacobus de broer van Jezus te identificeren met de apostel Jacobus, de zoon van Alfeüs, werden de verhalen over de marteldood en daaraan verbonden attributen in de traditie over beiden verteld. Jacobus de Mindere heeft in de linkerhand een kromstaf of beter een staf in de vorm van een gebogen knots (verwijzend naar zijn marteldood) en in de rechterhand, als apostel, een schriftrol met de tekst “ascendit in caelos” (Hij is opgestegen ten hemel), opgenomen in de geloofsbelijdenis.

Hij is de patroonheilige van winkeliers, pasteibakkers en vollers.

Zijn feestdag is op 3 mei.

Simon de IJveraar 

Simon de IJveraar, was voor hij leerling werd bij Jezus, lid van de Zeloten, een Joodsnationalistische en anti-Romeinse strekking die in 66 na Christus een opstand wou ontketenen tegen de Romeinen.

Wanneer Marcus verhaalt dat Jezus twaalf leerlingen aanstelt en hen noemt bij naam, schrijft hij Simon de Kananeër (Mc. 3,18) en Lucas noemt hem Simon de IJveraar (Lc. 6,15). Hij mag niet verward worden met Simon en met Judas Taddëus, één van de broers van Jezus (Mt. 13, 55). Dit alles wat over hem in de Evangelies is verteld.

De andere gebeurtenissen zijn niet historisch en meestal genomen uit apocriefe geschriften. Vermoedelijk predikte hij in de Joodse diaspora, maar volgens andere legenden in Babylonië en Perzië.

Alle verhalen over zijn marteldood in de “Passio Simonis en Judae” en in de “Leganda Auzea” zijn legendarisch. Volgens de ene bron is hij gekruisigd en volgens een andere werd hij in tweeën gezaagd, omdat hij in Suanir, in Perzië weigerde offers te brengen.

Hij is -begrijpelijk- de patroon van de houthakkers, ververs, metselaars, leerlooiers en wevers en wordt aanroepen tegen vrouwen die de baas spelen.

Vanaf de 14 eeuw wordt hij weergegeven met een trekzaag (verwijzend naar zijn marteldood), zoals in dit glasraam.

Zijn feestdag is 28 oktober.

 

Heilige Philippus

De apostel Filippus was afkomstig uit Betsaïda, de stad van ‘Andreas en Petrus’, was aanvankelijk een leerling van Johannes de Doper, en nadien één van de eerste leerlingen van Jezus. Op zijn beurt bracht hij Natanaël bij Jezus (Joh. 1, 45-45).

Alleen de evangelist Johannes geeft enkele feiten over deze man met Griekse naam. Blijkbaar was hij een ontwikkeld man, want hij was bemiddelaars voor Grieks sprekende Joden die Jezus wensten te ontmoeten (Joh. 12, 20-22). Mogelijks was hij een zoeker of een kritische man, want Jezus zei tot Hem “Zo lange tijd ben ik bij U, en gij kent mij nog niet, Filippus” (Joh. 14,9).

Het was ook Filippus, die bij de broodvermenigvuldiging opmerkte “Zelfs als we voor tweehonderd zilverstukken brood kopen, is dat niet genoeg om ieder ook maar en klein stukje te geven” (Joh. 6,7). Vandaar dat hij soms weergegeven wordt met een mand met brood of vis.

Na de hemelvaart, keren de leerlingen naar Jeruzalem terug en dan wordt Filippus voor het laatst vernoemd (Hand. 1,13).

Wat dan volgt is genomen uit legenden, uit ‘vitae’ of levensbeschrijvingen of uit andere apocriefe geschriften zo als o.a. ‘Handelingen van Filippus’ uit de 4 of 5 eeuw of ‘Het Evangelie van Filippus’ uit de 3 of 4 eeuw. In de ‘Handelingen van Filippus’ (3 – 4 eeuw) wordt verteld hoe door zijn toedoen in Griekenland een draak verblind en onschadelijk werd gemaakt. Hij predikte in Hiërapolis samen met Bartolomeüs en zijn zuster Marianne.

Andere verhalen dat Filippus de toespraken van Jezus zou genoteerd hebben; en dat hij zou gaan prediken zijn bij de Seythen in het gebied rond de Zwarte Zee.

Volgens de overlevering zou hij in Hiërapolis op 87 jarige leeftijd gestenigd zijn, hangend aan een kruis, met het hoofd naar beneden. Dit omdat hij zich verzette tegen de eredienst van de slang. Dit wordt ook verhaald in een vroeg christelijke Ethiopische tekst: “Het martyrium van Filippus.”

In de iconografie is er geen uniform Filippus-type ontwikkeld. Aanvankelijk werd hij zeer jeugdig afgebeeld. Later ook als een oude man, met baard zoals in dit glasraam. Hij draagt een tunica en een kapmantel en houdt in de linkerhand een kruisstaf (verwijzend naar zijn dood) en in de rechterhand, als apostel, een boek.

Hij is de patroonheilige van bakkers en banketbakkers (verwijzend naar de broodvermenigvuldiging), marktkramers en hoedenmakers.
Zijn feestdag is op 11 mei.

Heilige Johannes

De apostel en evangelist Johannes is de zoon van Zebedeus en Maria Salomas en de broer van Jacobus de Meerdere, die met hun vader in de boot bezig hun netten te herstellen. Ze waren samen met Simon Petrus en zijn broer Andreas vissers aan het meer van Genesaret, toen Jezus hen riep om Hem te volgen(Mt. 4, 18-22). Voordien behoorde hij tot de leerlingen van Johannes de Doper. 
Johannes en Jacobus waren samen aanwezig bij Petrus bij de genezing van diens schoonmoeder (Mc. 1, 29-30). Deze drie leerlingen samen worden meestal vernoemd bij de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van Jezus: op de bruiloft van Kana (Joh. 2, 1-12), bij het verhaal van de gedaanteoverstijging op de berg Tabor (Mt. 17, 1 – 2), en ook op de avond voor Jezus’ dood in de hof van Olijven (Mt. 26, 36-38). Johannes, de geliefde leerling was gevraagd het Paasmaal voor te bereiden (Lc. 22, 7-13). Met de moeder van Jezus en enkele andere vrouwen volgde deze leerling de tocht van Jezus naar Golgotha. “Jezus zag zijn moeder staan en naast haar de leerling die Hij liefhad. En Hij sprak tot zijn moeder: ‘Vrouw, zie daar uw zoon’. Daarna sprak Hij tot de leerling: ‘Zie daar uw moeder’. En van dat ogenblik nam de leerling haar bij zich op (Joh. 19, 26-27).
Het is Petrus en Johannes die getuige willen zijn van het lege graf Joh. 20, 1-3) en van meerdere verschijningen.
Volgens slot van het Evangelie zou hij lang geleefd hebben (Joh. 21, 20-23). Johannes is de auteur van het vierde evangelie, van 3 korte brieven en van de Apocalyps. Tot zo ver de gegevens over Johannes uit het N.T.

Hij zou -zo wil de overlevering- ca. 150 door keizer Domitianus verbannen zijn naar Patmos in de Aegische zee, waar hij de Apocalyps, het laatste boek van de bijbel, zou geschreven hebben. 
De andere verhalen komen voort uit de overlevering, uit apocriefe geschriften, vitae (levensbeschrijvingen). Tijdens zijn verblijf in Efeze doet hij de Artemistempel instorten, overleeft hij de gifbeker omdat deze onder zijn zegen doorbrak. In Rome werd hij onder Domitianus (51-96) in een vat kokende olie geworpen, hetgeen hij wonderbaar overleefde.
Men verneemt de bekering van filosoof Kratoon en zijn leerlingen nadat Johannes hout en steentjes in goud had veranderd. Nog in Efeze stelde de heidense opperpriester Aristodemus hem voor een gifbeker te drinken als bewijs van de macht van God. Eerst moesten twee ter dood veroordeelden het gif drinken en stierven onmiddellijk. Toen Johannes de beker dronk, bleef hij gezond. Hij wekte nadien de 2 gevangenen weer tot leven. Ook wekte hij Drusiana, een zeer vrome vrouw, opnieuw tot leven nadat ze gestorven was na de schaamteloze voorstellen van een zekere Callimachus.
Tal van dergelijke verhalen komen voor in de ‘Acta Joannis’ (ca. 150 uit Klein-Azië) of in de ‘Virtutes Joannis (wonderverhalen uit de 5de eeuw) of in een ‘Apocalypsis Joannis’ ( 6de eeuw uit Cyprus) over zonden, vasten, de liefde.

Uit al die geschriften blijkt hoe hij uitzonderlijke vriendschap had met Jezus, welke belangrijke rol hij speelde in de eerste kerk, en hoe de christelijke traditie naar hem opkeek. 
Zijn leven is in de plastische kunsten, in de muziek en in de literatuur een onuitputtelijke inspiratiebron geweest. Vooral de scenes van het Laatste Avondmaal en de empathie van de jonge Johannes tegenover de treurende Maria komen frequent aan bod.

Zijn attributen kunnen zijn: een boek dat verwijst naar zijn schrijverschap, of een beker die refereert naar het verhaal met de gifbeker of een groot vat dat verwijst naar de martelaarsverhalen. 
Als evangelist is zijn symbool de adelaar omwille van de ‘hoge’ gedachtegang in zijn geschriften.
In de vroeg christelijke iconografie en in het Oosten wordt Johannes afgebeeld als een kalende oude man. Dit is uitzonderlijk ook nog het geval op de buitenkant van de zijluiken van het Lam Gods. Daarentegen ziet men hem in het Westen, vanaf de 9de eeuw ongeveer, als een jonge knaap, de enige jeugdige onder de apostelen, met een ietwat onschuldige, naïeve blik. Zo ook in dit glasraam.

Hij wordt vereerd als een geneesheilige tegen vergiftiging (cfr. het gifverhaal in Efeze) en tegen epilepsie. Drukkers, schrijvers, theologen, boekhandelaars, scheikundigen (gifbeker) vinden in hem hun patroonheilige.

De marteling van Johannes, in de volksmond ‘Sint-Jan in de Olie’ wordt herdacht op 6 mei.
Zijn feestdag is 27 december.

Heilige Taddeüs

Judas Taddeüs wordt in Mc. 3, 18 en ook in Mt. 10, 2-4 vernoemd als één van de leerlingen. Mogelijks is deze Taddëus een roepnaam of bijnaam van Judas (Joh. 14,22). Hoogstwaarschijnlijk is hij niet de auteur van de Judasbrief uit het Nieuwe Testament. Verder zwijgt het N.T. in alle talen over deze apostel.
Volgens een legendarische en bizarre “Passie van Simon en Judas” zou Taddëus een gezel of broer zijn van Simon de IJveraar, met wie hij in Perzië zou hebben gewerkt en met wie hij gemarteld zou zijn.
Uiterst onbetrouwbare traditie vertelt dat hij in Edessa in Syrië en Armenië zou gepredikt hebben. 
Volgens sommige bronnen zou hij gekruisigd zijn, omdat hij weigerde afgodenoffers te brengen. Andere spreken van onthoofding, dood door steniging of dood geknuppeld.
Gezien hij -in vergelijking met andere apostelen- weinig aandacht kreeg in de Schriften en in de traditie, zijn de verwijzingen naar deze heilige beperkt.

In het Oosten en in het vroege Christendom werd hij afgebeeld als een jongeling. In het Westen daarentegen is hij van oudere leeftijd met een donkere baard. Sommige bronnen spreken van een fysieke gelijkenis met Jezus omwille van een vermeende familieband. Dit heeft zijn invloed op sommige afbeeldingen.
Als attributen krijgt ij een rol of een boek of een ganzenveer als de zogenaamde schrijver van de Judasbrief. Zijn marteltuigen zijn een knots, een bijl of zoals hier een lans.

Hij wordt aanroepen bij moeilijke, hopeloze zaken omdat hij naamgenoot is van Judas Iskariot, de verrader.

Zijn feestdag is 28 oktober.

Heilige Bartolomeüs

Bartolomeüs betekent ook de zoon van Tolmai (ploeger). Hij was vermoedelijk dezelfde persoon als Natanaël (Godsgeschenk), een visser uit Kana in Galilea (Mt. 10, 2-4). Van hem komt de kritische bedenking over Jezus “Kan er iets goed komen uit Nazareth?” (Joh. 1, 45-50).
Hij was samen met Petrus, Tomas en enkele andere leerlingen aan het meer van Tiberias bij de wonderbare visvangst en bij de ontmoeting met Jezus na zijn kruisdood (Joh. 21, 1-14). Dit is het enige wat in het Nieuw Testament over hem verteld wordt.

Maar de apocriefe geschriften en de traditie vertellen veel meer. Na Jezus’ dood maakte hij reizen in Meospotamië, Armenië en Klein-Azië. In Syrië zou hij een koning en diens vrouw bekeerd hebben tot het Christendom en hun bezeten dochter bevrijd hebben van de duivel, waarna de broer van de koning hem liet doodknuppelen en villen. Deze wijze van marteling wijst naar Noord-Perzië waar dergelijke straffen bestonden. In Akten en Passies zijn verschillende versies van zijn martelaarschap beschreven: kruisiging, steniging, onthoofding en levend gevild worden. Dat laatste leidde tot sadistische afbeeldingen. 

Omdat Bartolomeüs in India de genezende kracht van een drukbezochte tempel had afgenomen werd hij opgespoord. Daardoor bestond van hem een beschrijving: zwart krullend haar, witte huid, grote ogen, rechte lange neus, zware grijzende baard en van gemiddelde grootte. Hij droeg een koninklijk wit gewaard met purperdraad afgezoomd en een mantel met edelstenen bezet. Hij was opgewekt van aard en een betweter.

Volgens de “Legenda Aurea” werden in ca. 580 zijn relieken vanuit India, in een drijvende zerk op zee, overgebracht naar Lipari, ten noorden van Sicilië. Later in 1238 werd zijn schedel geschonken aan de Dom van Frankfurt am Main. 
In zijn ene hand houdt hij een mes, verwijzend naar het afstropen van zijn huid en in de andere hand een boek (als apostel).

Bartolomeüs wordt vereerd als schutspatroon van huidhandelaars, slagers, leerlooiers, schoenmakers en bontbewerkers. Hij wordt aanroepen tegen huidaandoeningen, stuipen en zenuwziekten. 
Zijn feestdag is 24 augustus.

 

Heilige Thomas

Thomas wordt bij de evangelisten voor het eerst vernoemd op het ogenblik dat Jezus zijn 12 apostelen uitkiest (Lc. 6, 13-16). Weten we over de andere leerlingen soms iets over hun afkomst en leven (Joh. 1, 35-51), dan geldt dit niet voor Thomas. Alleen is vermeld dat hij ook Didymus (tweeling) wordt genoemd. Vraag is dan: ‘Wie is zijn tweelingbroer? Jezus of Judas of …?’.

Uit enkele fragmenten in het Evangelie zouden we kunnen afleiden dat hij wat sceptisch of fatalistisch was, maar ook een spontaan man. Toen Jezus naar Bethanië wou gaan naar aanleiding van de dood van zijn vriend Lazarus, was er gevaar dat de Joden Hem zouden stenigen. Kordaat antwoordde Thomas, ook Didymus geheten tot zijn medeleerlingen: ‘Laat ons ook gaan om met hem te sterven’ (Joh. 11, 1-6). Toen Jezus de avond voor zijn lijden, tijdens het laatste Avondmaal, zei: “Ik ga heen, gij kent de weg waar ik heenga” antwoordde Thomas sceptisch: “Heer, we weten niet waar Gij heen gaat, hoe zouden wij dan de weg kennen?” (Joh. 14, 5). Thomas was er niet bij toen de Verrezene na zijn dood aan de apostelen verscheen. Weer reageerde hij kritisch:” Zo ik in Zijn handen de wonden van de nagelen niet zie …. en mijn hand niet in Zijn zijde steek, zal ik niet geloven”. Maar acht dagen later, verscheen Jezus terug en Thomas zei spontaan en vol overtuiging: “Mijn Heer en mijn God” waarop Jezus antwoordde: “Zalig zij die niet zien en toch geloven” (Joh? 20, 24 -29). Verder wordt de apostel niet noemenswaardig meer vernoemd in het Nieuwe Testament. Des te meer is er over hem geschreven in apocriefe literatuur.

Volgens de ene traditie zou hij in Perzië hebben gepredikt en volgens de andere in Indië, wat door archeologische vondsten de laatste jaren kan rekenen op een zekere historiciteit. We vinden deze belevenissen terug o.a. in ‘De miraculis beatae Thomae apostoli’ (over de mirakelen van de heilige apostel Thomas), mogelijks geschreven door de gezaghebbende historicus en bisschop Gregorius van Tours (538-594). Uitvoerig vertelt de schrijver hoe na het huwelijksfeest van de prinses, de jonggehuwden naar bed gaan en hoe Thomas dan verschijnt in de gedaante van Jezus en hen overhaalt om geen seksueel verkeer te hebben. Ascetische en gnostische invloeden spelen hier en in andere geschriften zeker een rol.

In 1946 werd in een oude kloosterbibliotheek in Egypte een apocrief ‘Evangelie van Thomas’ ontdekt, uit de 4 eeuw met zogezegde uitspraken van Jezus. Dat de apostel veel aandacht kreeg blijkt ook nog uit nog veel andere geschriften, o.a. een ‘Apocalyps van Thomas’ uit de 5 eeuw die handelt over het einde van de wereld. Verder ‘Psalmen van Thomas’ uit einde 4 eeuw en een Koptisch ‘Boek van Thomas’ uit de 3 eeuw dat geheime woorden van Jezus zou bevatten.

Thomas zou volgens de ene traditie in Indië vermoord zijn nadat hij weigerde te offeren aan afgoden. In de ‘Handelingen van Thomas’ zou hij gedood zijn omdat hij Tertia, de vrouw van de koning had bekeerd, en ook enkele andere vrouwen. Daarom werd hij op bevel van de koning door soldaten op een heuveltop met lansen doorboord.

De pelgrimerende Spaanse non Egeiria (ca. 100) vermeldt in haar reisverslag dat de relieken van de apostel in de 3 eeuw naar Edessa zijn overgebracht en daar vereerd werden.

Lange tijd werd Thomas uitgebeeld als een jeugdige en jonge man. Maar de interpretatie van ‘Didymus’ (tweelingbroer) was de oorzaak dat men hem vanaf ca. 12-13 eeuw voorzag van een baard en wat oudere gelaatsuitdrukking -om de gelijkenis met Jezus te suggereren-.

Hij wordt hier afgebeeld met een winkelhaak omdat hij voor de Indische koning een ‘hemels’ paradijs zou gebouwd hebben, en met een boek in de rechterhand (als apostel).

Hij is de patroonheilige van architecten, metselaars, aannemers, timmerlui en landmeters (vanwege de bouw van het hemels paleis) en ook van de theologen (omwille van zijn geloofstwijfel). Hij wordt aanroepen tegen rugpijn, ongelovigheid en blindheid (“zalig die geloven en niet gezien hebben”).

Zijn feestdag is 21 december.

Heilige Mathias

Wanneer gelovigen of bezoekers de kerk binnenkomen via het portaal aan de westkant, dan roept het eerste glasraam op de rechterkant (de zuidzijde) de aandacht op voor de minder gekende apostel Mattias

In de 4 evangelies is over hem niets te vinden. De ‘Handelingen der Apostelen’ beschrijven  de eerste geschiedenis van de kerk, na de dood van Jezus. De titel van dat geschrift dekt niet geheel en al de lading, want in dit boek gaat het vooral over de activiteiten van Petrus en Paulus, zowel bij de Joden als bij de heidenen. In dit boek wordt voor het eerst over Mattias gesproken.  Na Jezus’ heengaan en de dood van Judas Iskariot stelde Petrus voor om een vervanger voor deze laatste te kiezen. “Toen viel het lot op Mattias en hij werd aan de elf apostelen toegevoegd” (Handel. 1, 26). Verder weet men over hem niets met zekerheid.  Wel vermoedt men dat hij in Jeruzalem gewerkt heeft. 

Dus raadplegen we andere geschriften zoals de “Ekklesiastikè Historia” (de kerkgeschiedenis) van de raadsman van Constantijn de Grote (272-337), bisschop Eusebius van Caesarea (263-339) die zegt dat Mathias een van de eerste 12 leerlingen van Jezus was.  Apocriefe geschriften vermelden zijn geboorte in Bethlehem (geboorteplaats van Jezus uit Nazareth!) en spreken van meerdere missiereizen.  Ze spreken ook van verschillende soorten martelingen in die uiteenlopende gebieden, en zelfs ongebruikelijk: over een natuurlijke dood!   “Andreas Akten” vertellen dat Mattias uit de handen van menseneters is bevrijd.  “Passieverhalen” spreken over onthoofding met een bijl na pogingen tot vergiftiging en steniging.    Hij zou gestorven zijn omstreeks 64 na Christus. Zijn gebeenten zouden door de Heilige Helena van Constantinopel, de moeder van de Romeinse keizer Constantijn de Grote (272-337) naar de oude Duitse bisschopsstad Trier zijn gebracht. Ze werden bewaard in de Matthiaskerk.  Dit was de aanleiding voor een grote verering in Duistland.  Lambertus de Legia, ook Lambertus Trevirensis genoemd (midden 12 eeuw) monnik van het Sint-Matthiasklooster te Trier beschreef in 1186 de vele wonderverhalen van de heilige in zijn “Gesta Matthiae apostoli, inventiones et miracula saec. XII (het leven en de wonderen van de H. Mattias).   Volgens deze legende werd hij gearresteerd en na een schijnproces veroordeeld.  Twee valse getuigen, die door het gerecht werden opgevoerd, moesten de eerste stenen gooien.  Na de steniging werd hij onthoofd met een bijl. 

Hier is hij afgebeeld als een oudere man, met in zijn rechterhand een bijl, zijn meest voorkomend attribuut, verwijzend naar zijn marteldood.  

Hij beschermt slagers, smeden, timmerlieden en bouwvakkers, banketbakkers en kleine schoolkinderen. Hij wordt aanroepen tegen kinkhoest, pokken en echtelijke onvruchtbaarheid. Hij gaf vroeger op zijn feestdag uitkomst  bij levens- en liefdesproblemen door zijn orakels.   

Zijn feestdag wordt gevierd op 24 februari.  

Rosas

We stellen ons onder de vieringtoren om naar het laatste glasraam te kijken. Deze plaats is het oudste deel van onze kerk, waarvan sporen teruggaan tot in de 12de eeuw. Over de Sint-Martinuskerk in Petegem zijn er reeds vermeldingen in kronieken sinds 1149. Het stuk waarop we nu staan bestaat uit een vierkante onderbouw (vermoedelijk uit de 11de eeuw) waarop rond 1616 een achthoekige bakstenen bovenbouw, een klokkenkamer werd gebouwd.

Deze vorm kwam reeds voor in de Middeleeuwen. Zou het kunnen dat bouwmeesters een symbolische verwijzing aan deze getallen gaven? Want God werd gezien als een “architect”, als een “wereldbouwmeester” met een passer als attribuut. Zo werd Hij dikwijls afgebeeld. In de bijbel werd Hij reeds aangeduid als “bouwmeester en Schepper die alles volgens maat en getal en gewicht ordent” (Wijsheid 12, 20). De Rijselse Cisterciënzermonnik Alanus ab Insulis (? – 1202) noemde God de ‘architectus elegans’, de sierlijke architect. Dacht men vroeger dan aan de vier Evangelisten als fundament van de kerk of aan de vier paradijsrivieren of aan de vier windstreken? En was acht het symbool van volmaaktheid, van opstanding?

Het grote glasraam, achteraan in de kerk, boven het hoofdportaal, tussen de twee orgelkasten, is wat atypisch. Het gaat niet over heiligen of apostelen en is niet geïnspireerd op apocriefe geschriften of op Bijbelse verhalen. Het heeft eerder een catechetisch of dogmatisch karakter.

Twee engelen -één in een donker bruin gewaad en de andere in warm blauw- houden een tekstband vast waarop het psalmvers staat: Laudate Dominum in organo: Looft de Heer met orgelspel. Daartussen een grote kleurrijke cirkel met in het midden Deus: God. De kleuren in de cirkel -symbool van volmaaktheid- ontvouwen zich tot stralend, helder geel licht. Op de cirkel zijn de drie personen van de H. Drievuldigheid vernoemd tegenover een blauwe achtergrond; links Pater: de Vader; rechts Filius: de Zoon en onderaan Spiritus: de Geest. Tussen elk van de drie staat de tekst “non est” wat wil verduidelijken dat de 3 afzonderlijk samen in het centrum één God: Deus vormen. Het glasraam is omgeven met een kleurrijke en fantasierijke boord waarin harpen en snaarinstrumenten zijn weergegeven, die dikwijls in de psalmen vernoemd worden. Dit glasraam is als het ware in zijn biotoop -het orgel en het doksaal- ingebouwd.

Het mag tenslotte duidelijk zijn dat alle afbeeldingen van de apostelen en ook van de andere figuren niets te zien hebben met hun fysionomie. Hun voorstelling is gebaseerd, niet zozeer op gegevens uit het N. T., maar wel op apocriefe geschriften, legendes en verhalen. De attributen verwijzen in de meeste gevallen naar hun marteldood. Zij staan beeld voor een gedachtegoed dat in een lange christelijke traditie een vaste waarde werd. 

De klokken

Er zijn drie luidklokken:

1) Martinus, gis1 (=sol#), ca. 560 kg, Ø 0,965 m. Gegoten in 1964 door Marcel Michiels Successeurs / Petit & Fritsen te Aarle-Rixtel (NL).

2) Maria, b1 (=si), ca. 400 kg, 0,851 m, Marcel Michiels Jr., Doornik, 1955

3) Augustijn, cis2 (=do#), ca. 260 kg, Ø 0,744 m. Hergoten in 1955 door Marcel Michiels Jr. te Doornik. Oorspronkelijk: Andreas-Lodewijk Van Aerschodt, Leuven (1847).

 U kan de klokken horen op dit you tube filmpje:  https://youtu.be/x33pMO9W5-8

 

Schilderijen boven de altaren

Het schilderij boven het zijaltaar noord (kant van de Leie) is een neoclassicistich schilderij dat Onze Lieve Vrouw met Kind met de rozenkrans voorstelt.

Het is olieverf op doek en meet 300 op 180 cm.  Het is van de hand van de Deinse kunstenaar Karel Picqué en dateert van 1849.

Het schilderij, in barokke stijl, boven het hoofdaltaar stelt de Besnijdenis van Jezus voor.

Het is olieverf op doek, meet 245 op 160 cm en is vermoedelijk van de school van Gaspar de Craeyer. Het dateert van de 17de eeuw.

Het schilderij boven het zijaltaar zuid (kant van de Kortrijkstraat) is een neoclassicistisch schilderij dat de titel Heilige Antonius wekt jongeling terug tot leven draagt. We hebben hier te maken met olieverf op doek en 300 op 180 cm als afmetingen. Het kunstwerk is ook van de hand van de reeds genoemde Karel Picqué en dateert van 1842.

Preekstoel

Het geheel is een eiken kuip met beelden van Evangelisten. Het is neogotisch, dateert van 1896 en is van de hand van Matthias Zens.
De H. Martinus deelt zijn mantel met een arme.

 Jezus bij de schriftgeleerden in de tempel.

 

De H. Familie te Nazareth. 
 De Prediking van Jezus en de Apostelen.
De H. Antonius Abt. 
Hits: 2420 Laatst bijgewerkt: 05 september 2020

Contactinformatie

Priester

E.H. deken Rudy Van Acker
Kaaistraat 3
9800  Deinze

Telefoon: 09/386 15 00
GSM: 0479/676 929

rudy.van.acker@kerknet.be

Meewerkende priester

E.H. August De Groote
Lodorp 26
9880 Lotenhulle

Tel: 051/688 738

Dekenaal secretariaat

Kaaistraat 1
9800  Deinze

Tel: 09/386 16 21

dekenaat.deinze_zulte@skynet.be

Kaart